Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/120509602.webp
perdonare
Lei non potrà mai perdonarlo per quello!
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
cms/verbs-webp/97335541.webp
commentare
Lui commenta la politica ogni giorno.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
cms/verbs-webp/95543026.webp
partecipare
Lui sta partecipando alla gara.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
cms/verbs-webp/106725666.webp
controllare
Lui controlla chi ci abita.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
cms/verbs-webp/57481685.webp
ripetere
Lo studente ha ripetuto un anno.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
cms/verbs-webp/125319888.webp
coprire
Lei copre i suoi capelli.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
cms/verbs-webp/108118259.webp
dimenticare
Lei ha ora dimenticato il suo nome.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
cms/verbs-webp/84476170.webp
esigere
Ha esigito un risarcimento dalla persona con cui ha avuto un incidente.
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
cms/verbs-webp/77738043.webp
iniziare
I soldati stanno iniziando.
beginnen
De soldaten beginnen.
cms/verbs-webp/79317407.webp
comandare
Lui comanda il suo cane.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
cms/verbs-webp/21342345.webp
piacere
Al bambino piace il nuovo giocattolo.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
cms/verbs-webp/118549726.webp
controllare
Il dentista controlla i denti.
controleren
De tandarts controleert de tanden.