Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
perdonare
Lei non potrà mai perdonarlo per quello!
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
commentare
Lui commenta la politica ogni giorno.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
partecipare
Lui sta partecipando alla gara.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
controllare
Lui controlla chi ci abita.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
ripetere
Lo studente ha ripetuto un anno.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
coprire
Lei copre i suoi capelli.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
dimenticare
Lei ha ora dimenticato il suo nome.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
esigere
Ha esigito un risarcimento dalla persona con cui ha avuto un incidente.
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
iniziare
I soldati stanno iniziando.
beginnen
De soldaten beginnen.
comandare
Lui comanda il suo cane.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
piacere
Al bambino piace il nuovo giocattolo.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.