Woordenlijst
Leer werkwoorden – Sloveens
zaposliti
Kandidat je bil zaposlen.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
srečati
Prvič sta se srečala na internetu.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
obremeniti
Pisarniško delo jo zelo obremenjuje.
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
povezati
Ta most povezuje dve soseski.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
bankrotirati
Podjetje bo verjetno kmalu bankrotiralo.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
odpeljati domov
Po nakupovanju se oba odpeljeta domov.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
poskusiti
Glavni kuhar poskusi juho.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
študirati
Na moji univerzi študira veliko žensk.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
pogledati
Kar ne veš, moraš pogledati.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
govoriti
Politik pred mnogimi študenti govori.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
odpeljati nazaj
Mama odpelje hčerko nazaj domov.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.