Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
puni
Ŝi punis sian filinon.
straffen
Ze strafte haar dochter.
komenti
Li komentas politikon ĉiutage.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
voki
Ŝi povas voki nur dum ŝia paŭzo por tagmanĝo.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
ekzisti
Dinosaŭroj ne plu ekzistas hodiaŭ.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
ripeti jaron
La studento ripetis jaron.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
montriĝi
Li ŝatas montriĝi per sia mono.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
pendi
La hamako pendas de la plafono.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
imagi
Ŝi imagas ion novan ĉiutage.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
vidi
Vi povas vidi pli bone kun okulvitroj.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
edziniĝi
Malplenaĝuloj ne rajtas edziniĝi.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
pendi
Ambaŭ pendas sur branĉo.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.