Woordenlijst

Leer werkwoorden – Noors

cms/verbs-webp/118759500.webp
høste
Vi høstet mye vin.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
cms/verbs-webp/116835795.webp
ankomme
Mange mennesker ankommer med bobil på ferie.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
cms/verbs-webp/108556805.webp
se ned
Jeg kunne se ned på stranden fra vinduet.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
cms/verbs-webp/84472893.webp
sykle
Barn liker å sykle eller kjøre sparkesykkel.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
cms/verbs-webp/93150363.webp
våkne
Han har nettopp våknet.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
cms/verbs-webp/68435277.webp
komme
Jeg er glad du kom!
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
cms/verbs-webp/114593953.webp
møte
De møtte hverandre først på internettet.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
cms/verbs-webp/86583061.webp
betale
Hun betalte med kredittkort.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
cms/verbs-webp/130288167.webp
rense
Hun renser kjøkkenet.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
cms/verbs-webp/119952533.webp
smake
Dette smaker virkelig godt!
smaken
Dit smaakt echt goed!
cms/verbs-webp/125319888.webp
dekke
Hun dekker håret sitt.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
cms/verbs-webp/106608640.webp
bruke
Selv små barn bruker nettbrett.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.