Woordenlijst
Leer werkwoorden – Slovaaks
triediť
Rád triedi svoje známky.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
odviezť
Mama odviezla dcéru domov.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
cestovať
Radi cestujeme po Európe.
reizen
We reizen graag door Europa.
generovať
Elektrinu generujeme vetrom a slnečným svetlom.
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
prevýšiť
Veľryby prevyšujú všetky zvieratá na váhe.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
jazdiť
Autá jazdia v kruhu.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
stačiť
Na obed mi stačí šalát.
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.
sprevádzať
Pes ich sprevádza.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
posielať
Tovar mi bude poslaný v balíku.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
potrebovať
Naozaj potrebujem dovolenku; musím ísť!
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
sledovať
Môj pes ma sleduje, keď behám.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.