Woordenlijst
Leer werkwoorden – Bosnisch
rasprodati
Roba se rasprodaje.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
upravljati
Tko upravlja novcem u vašoj obitelji?
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
suzdržavati se
Ne mogu potrošiti previše novca; moram se suzdržavati.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
dodirnuti
Nježno ju je dodirnuo.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
pratiti
Moj pas me prati kad trčim.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
približiti se
Puževi se približavaju jedno drugom.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
stići
Avion je stigao na vrijeme.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
glasati
Glasaci danas glasaju o svojoj budućnosti.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
prekriti
Dijete se prekriva.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
prekriti
Dijete prekriva svoje uši.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
uništiti
Tornado uništava mnoge kuće.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.