Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
ramener
La mère ramène sa fille à la maison.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
oser
Je n’ose pas sauter dans l’eau.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
protéger
Les enfants doivent être protégés.
werken
Ze werkt beter dan een man.
travailler
Elle travaille mieux qu’un homme.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
connaître
Elle connaît presque par cœur de nombreux livres.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
rappeler
L’ordinateur me rappelle mes rendez-vous.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
couvrir
Les nénuphars couvrent l’eau.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
découper
Le tissu est découpé à la taille.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
fixer
La date est fixée.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
vérifier
Le dentiste vérifie la dentition du patient.
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
laisser intact
La nature a été laissée intacte.