Woordenlijst

Leer werkwoorden – Noors

cms/verbs-webp/63457415.webp
forenkle
Du må forenkle kompliserte ting for barn.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
cms/verbs-webp/58993404.webp
gå hjem
Han går hjem etter arbeid.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
cms/verbs-webp/93792533.webp
bety
Hva betyr dette våpenskjoldet på gulvet?
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
cms/verbs-webp/98977786.webp
navngi
Hvor mange land kan du navngi?
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
cms/verbs-webp/101709371.webp
produsere
Man kan produsere billigere med roboter.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
cms/verbs-webp/62175833.webp
oppdage
Sjømennene har oppdaget et nytt land.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
cms/verbs-webp/97188237.webp
danse
De danser en tango forelsket.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
cms/verbs-webp/106279322.webp
reise
Vi liker å reise gjennom Europa.
reizen
We reizen graag door Europa.
cms/verbs-webp/102447745.webp
avlyse
Han avlyste dessverre møtet.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
cms/verbs-webp/125319888.webp
dekke
Hun dekker håret sitt.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
cms/verbs-webp/117311654.webp
bære
De bærer barna sine på ryggene sine.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
cms/verbs-webp/120254624.webp
lede
Han liker å lede et team.
leiden
Hij leidt graag een team.