Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (BR)
testar
O carro está sendo testado na oficina.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
cuidar
Nosso filho cuida muito bem do seu novo carro.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
conversar
Ele frequentemente conversa com seu vizinho.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
beber
As vacas bebem água do rio.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
brincar
A criança prefere brincar sozinha.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
causar
O açúcar causa muitas doenças.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
discar
Ela pegou o telefone e discou o número.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
reservar
Quero reservar algum dinheiro todo mês para mais tarde.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
deitar
Eles estavam cansados e se deitaram.
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
pagar
Ela paga online com um cartão de crédito.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
pressionar
Ele pressiona o botão.
drukken
Hij drukt op de knop.