Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
transport
We transport the bikes on the car roof.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
search
The burglar searches the house.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
repeat a year
The student has repeated a year.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
start running
The athlete is about to start running.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
end up
How did we end up in this situation?
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
run
The athlete runs.
rennen
De atleet rent.
burn
He burned a match.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
move out
The neighbor is moving out.
verhuizen
De buurman verhuist.
depart
The ship departs from the harbor.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
mix
The painter mixes the colors.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
work
The motorcycle is broken; it no longer works.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.