Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
ŝpari
La knabino ŝparas ŝian poŝmonon.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
atenti
Oni devas atenti la vojsignojn.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
detrui
La tornado detruas multajn domojn.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
agordi
Vi devas agordi la horloĝon.
instellen
Je moet de klok instellen.
voki
La knabo vokas tiel laŭte kiel li povas.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
inviti
Ni invitas vin al nia novjara festo.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
elpremi
Ŝi elpremas la citronon.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
voĉdoni
Oni voĉdonas por aŭ kontraŭ kandidato.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
eldoni
La eldonisto eldonas tiujn revuojn.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
sendi
La varoj estos senditaj al mi en pakaĵo.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
ludi
La infano preferas ludi sole.
spelen
Het kind speelt liever alleen.