Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
peindre
Elle a peint ses mains.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examiner
Les échantillons de sang sont examinés dans ce laboratoire.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
se débrouiller
Elle doit se débrouiller avec peu d’argent.
smaken
Dit smaakt echt goed!
goûter
Ça a vraiment bon goût!
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
ramasser
Nous devons ramasser toutes les pommes.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
limiter
Pendant un régime, il faut limiter sa consommation de nourriture.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
exposer
L’art moderne est exposé ici.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
sentir
Elle sent le bébé dans son ventre.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
reprendre
L’appareil est défectueux ; le revendeur doit le reprendre.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
lancer
Ils se lancent la balle.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
réveiller
Il vient de se réveiller.