Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/101742573.webp
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
peindre
Elle a peint ses mains.
cms/verbs-webp/73488967.webp
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examiner
Les échantillons de sang sont examinés dans ce laboratoire.
cms/verbs-webp/47062117.webp
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
se débrouiller
Elle doit se débrouiller avec peu d’argent.
cms/verbs-webp/119952533.webp
smaken
Dit smaakt echt goed!
goûter
Ça a vraiment bon goût!
cms/verbs-webp/64904091.webp
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
ramasser
Nous devons ramasser toutes les pommes.
cms/verbs-webp/129244598.webp
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
limiter
Pendant un régime, il faut limiter sa consommation de nourriture.
cms/verbs-webp/103232609.webp
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
exposer
L’art moderne est exposé ici.
cms/verbs-webp/102677982.webp
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
sentir
Elle sent le bébé dans son ventre.
cms/verbs-webp/123834435.webp
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
reprendre
L’appareil est défectueux ; le revendeur doit le reprendre.
cms/verbs-webp/11579442.webp
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
lancer
Ils se lancent la balle.
cms/verbs-webp/93150363.webp
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
réveiller
Il vient de se réveiller.
cms/verbs-webp/124046652.webp
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
passer avant
La santé passe toujours avant tout !