Woordenlijst

Leer werkwoorden – Ests

cms/verbs-webp/99769691.webp
mööda minema
Rong sõidab meist mööda.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
cms/verbs-webp/120220195.webp
müüma
Kauplejad müüvad palju kaupa.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cms/verbs-webp/40946954.webp
sorteerima
Talle meeldib oma marke sorteerida.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
cms/verbs-webp/78773523.webp
suurendama
Rahvastik on märkimisväärselt suurenenud.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
cms/verbs-webp/99207030.webp
saabuma
Lennuk on õigeaegselt saabunud.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
cms/verbs-webp/21689310.webp
küsima
Minu õpetaja küsib tihti minu käest.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
cms/verbs-webp/67624732.webp
kartma
Me kardame, et inimene on tõsiselt vigastatud.
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
cms/verbs-webp/123298240.webp
kohtuma
Sõbrad kohtusid ühiseks õhtusöögiks.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
cms/verbs-webp/119501073.webp
asuma
Seal on loss - see asub otse vastas!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
cms/verbs-webp/59121211.webp
helistama
Kes uksekella helistas?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
cms/verbs-webp/32180347.webp
lahti võtma
Meie poeg võtab kõike lahti!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
cms/verbs-webp/118868318.webp
meeldima
Talle meeldib šokolaad rohkem kui köögiviljad.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.