Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/77572541.webp
quitar
El artesano quitó las baldosas viejas.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
cms/verbs-webp/115224969.webp
perdonar
Le perdono sus deudas.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
cms/verbs-webp/89025699.webp
llevar
El burro lleva una carga pesada.
dragen
De ezel draagt een zware last.
cms/verbs-webp/100298227.webp
abrazar
Él abraza a su viejo padre.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
cms/verbs-webp/91367368.webp
pasear
La familia pasea los domingos.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
cms/verbs-webp/130938054.webp
cubrir
El niño se cubre.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
cms/verbs-webp/73649332.webp
gritar
Si quieres que te escuchen, tienes que gritar tu mensaje en voz alta.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
cms/verbs-webp/63351650.webp
cancelar
El vuelo está cancelado.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
cms/verbs-webp/98561398.webp
mezclar
El pintor mezcla los colores.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
cms/verbs-webp/85860114.webp
avanzar
No puedes avanzar más en este punto.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
cms/verbs-webp/115267617.webp
atrever
Se atrevieron a saltar del avión.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
cms/verbs-webp/77738043.webp
empezar
Los soldados están empezando.
beginnen
De soldaten beginnen.