Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
quitar
El artesano quitó las baldosas viejas.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
perdonar
Le perdono sus deudas.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
llevar
El burro lleva una carga pesada.
dragen
De ezel draagt een zware last.
abrazar
Él abraza a su viejo padre.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
pasear
La familia pasea los domingos.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
cubrir
El niño se cubre.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
gritar
Si quieres que te escuchen, tienes que gritar tu mensaje en voz alta.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
cancelar
El vuelo está cancelado.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
mezclar
El pintor mezcla los colores.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
avanzar
No puedes avanzar más en este punto.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
atrever
Se atrevieron a saltar del avión.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.