Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
understand
I finally understood the task!
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
run out
She runs out with the new shoes.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
stand
The mountain climber is standing on the peak.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
show
I can show a visa in my passport.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
drive home
After shopping, the two drive home.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
stop
You must stop at the red light.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
take part
He is taking part in the race.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
introduce
He is introducing his new girlfriend to his parents.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
know
She knows many books almost by heart.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
leave
Many English people wanted to leave the EU.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
start running
The athlete is about to start running.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.