Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
drive home
After shopping, the two drive home.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
hit
She hits the ball over the net.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
hug
He hugs his old father.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
turn off
She turns off the electricity.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
ignore
The child ignores his mother’s words.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
come easy
Surfing comes easily to him.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
contain
Fish, cheese, and milk contain a lot of protein.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
listen
He likes to listen to his pregnant wife’s belly.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
get to know
Strange dogs want to get to know each other.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
search
I search for mushrooms in the fall.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
forget
She doesn’t want to forget the past.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.