Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
swem
Sy swem gereeld.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
agtervolg
Die cowboy agtervolg die perde.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
druk
Hy druk die knoppie.
drukken
Hij drukt op de knop.
sny uit
Die vorms moet uitgesny word.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
luister
Hy luister graag na sy swanger vrou se maag.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
veg
Die atlete veg teen mekaar.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
beklemtoon
Jy kan jou oë goed met grimering beklemtoon.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
skakel
Sy het die foon opgetel en die nommer geskakel.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
jaag
Die cowboys jaag die beeste met perde.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
terugneem
Die toestel is defektief; die handelaar moet dit terugneem.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
verbygaan
Tyd gaan soms stadig verby.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.