Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
okazi
Io malbona okazis.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
bruli
Fajro brulas en la kameno.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
voli eliri
La infano volas eliri.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
eviti
Li bezonas eviti nuksojn.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
veki
La vekhorloĝo vekas ŝin je la 10a atm.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
legi
Mi ne povas legi sen okulvitroj.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
raporti al
Ĉiuj surŝipe raportas al la kapitano.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
peli
La bovistoj pelas la brutaron per ĉevaloj.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
haltigi
La policistino haltigas la aŭton.
stoppen
De agente stopt de auto.
elekti
Estas malfacile elekti la ĝustan.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
veturi
La aŭtoj veturas cirklaŭe.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.