Woordenlijst
Turks – Werkwoorden oefenen
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.