verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
견디다
그녀는 노래를 견딜 수 없다.
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.
점령하다
메뚜기가 점령했다.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
제공하다
휴가객을 위해 해변 의자가 제공된다.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
소비하다
그녀는 케이크 한 조각을 소비한다.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
주의하다
도로 표지판에 주의해야 한다.
geloven
Veel mensen geloven in God.
믿다
많은 사람들이 하나님을 믿는다.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
매달리다
지붕에서 얼음이 매달려 있다.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
행하다
그녀는 특별한 직업을 행한다.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
느끼다
어머니는 아이에게 많은 사랑을 느낀다.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
돌아서다
여기서 차를 돌려야 합니다.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
들어가다
배가 항구로 들어가고 있다.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
전부 팔다
상품이 전부 팔리고 있다.