Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.