Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.