Woordenlijst
Litouws – Werkwoorden oefenen
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
moeten
Hij moet hier uitstappen.
overnachten
We overnachten in de auto.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.