Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.