Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
smaken
Dit smaakt echt goed!
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.