Woordenlijst
Engels (US) – Werkwoorden oefenen
spelen
Het kind speelt liever alleen.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
willen
Hij wil te veel!
drukken
Hij drukt op de knop.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
horen
Ik kan je niet horen!