Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
verdwalen
Mijn sleutel is vandaag verloren gegaan!
verlaten
De man vertrekt.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.