Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
mudar
Mi sobrino se está mudando.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
gustar
Al niño le gusta el nuevo juguete.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
cubrir
El niño se cubre.
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
preparar
Ella le preparó una gran alegría.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
desperdiciar
No se debe desperdiciar energía.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
resumir
Necesitas resumir los puntos clave de este texto.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
correr tras
La madre corre tras su hijo.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
entregar
Nuestra hija entrega periódicos durante las vacaciones.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
omitir
Puedes omitir el azúcar en el té.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
aprobar
Los estudiantes aprobaron el examen.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
mirar
Ella mira a través de binoculares.