Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
show
I can show a visa in my passport.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
exhibit
Modern art is exhibited here.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
go out
The kids finally want to go outside.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
ignore
The child ignores his mother’s words.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
remove
The craftsman removed the old tiles.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
destroy
The tornado destroys many houses.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
miss
I will miss you so much!
missen
Ik zal je zo erg missen!
run away
Some kids run away from home.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
change
A lot has changed due to climate change.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
manage
Who manages the money in your family?
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
exercise restraint
I can’t spend too much money; I have to exercise restraint.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.