Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
carry
They carry their children on their backs.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
discuss
They discuss their plans.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
undertake
I have undertaken many journeys.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
snow
It snowed a lot today.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
swim
She swims regularly.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
cut up
For the salad, you have to cut up the cucumber.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
mix
She mixes a fruit juice.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
stop
The woman stops a car.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
want
He wants too much!
willen
Hij wil te veel!
waste
Energy should not be wasted.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
allow
One should not allow depression.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.