Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
leave speechless
The surprise leaves her speechless.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
push
The car stopped and had to be pushed.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
save
The girl is saving her pocket money.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
see
You can see better with glasses.
tellen
Ze telt de munten.
count
She counts the coins.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
criticize
The boss criticizes the employee.
vormen
We vormen samen een goed team.
form
We form a good team together.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
sort
I still have a lot of papers to sort.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
log in
You have to log in with your password.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
send off
This package will be sent off soon.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
underline
He underlined his statement.