Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
tax
Companies are taxed in various ways.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
burn down
The fire will burn down a lot of the forest.
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
let through
Should refugees be let through at the borders?
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
see clearly
I can see everything clearly through my new glasses.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
reduce
I definitely need to reduce my heating costs.
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
prepare
A delicious breakfast is prepared!
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
accept
Some people don’t want to accept the truth.
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
return
The father has returned from the war.
missen
Ik zal je zo erg missen!
miss
I will miss you so much!
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
prove
He wants to prove a mathematical formula.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
invest
What should we invest our money in?