Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
explain
Grandpa explains the world to his grandson.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
carry
The donkey carries a heavy load.
dragen
De ezel draagt een zware last.
travel
He likes to travel and has seen many countries.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
save
My children have saved their own money.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
lead
The most experienced hiker always leads.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
sing
The children sing a song.
zingen
De kinderen zingen een lied.
cut out
The shapes need to be cut out.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
come closer
The snails are coming closer to each other.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
use
She uses cosmetic products daily.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
belong
My wife belongs to me.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
publish
The publisher has published many books.
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.