Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
cover
She covers her hair.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
see
You can see better with glasses.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
travel
He likes to travel and has seen many countries.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
spread out
He spreads his arms wide.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
get upset
She gets upset because he always snores.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
jump over
The athlete must jump over the obstacle.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
clean
The worker is cleaning the window.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
turn around
You have to turn the car around here.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
park
The cars are parked in the underground garage.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
listen
He is listening to her.
luisteren
Hij luistert naar haar.
test
The car is being tested in the workshop.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.