Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (BR)
chamar
O menino chama o mais alto que pode.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
testar
O carro está sendo testado na oficina.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
fazer por
Eles querem fazer algo por sua saúde.
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
acostumar-se
Crianças precisam se acostumar a escovar os dentes.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
queimar
O fogo vai queimar muito da floresta.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
cortar
O cabeleireiro corta o cabelo dela.
knippen
De kapper knipt haar haar.
economizar
A menina está economizando sua mesada.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
passar por
O trem está passando por nós.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
decidir
Ela não consegue decidir qual sapato usar.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
importar
Nós importamos frutas de muitos países.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
perder-se
Minha chave se perdeu hoje!
verdwalen
Mijn sleutel is vandaag verloren gegaan!