Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
appuyer
Il appuie sur le bouton.
drukken
Hij drukt op de knop.
demander
Mon petit-fils me demande beaucoup.
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
rater
Il a raté l’occasion de marquer un but.
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
investir
Dans quoi devrions-nous investir notre argent?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
passer avant
La santé passe toujours avant tout !
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
fermer
Elle ferme les rideaux.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
pousser
Ils poussent l’homme dans l’eau.
duwen
Ze duwen de man het water in.
oublier
Elle ne veut pas oublier le passé.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
licencier
Mon patron m’a licencié.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
oublier
Elle a maintenant oublié son nom.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
préférer
Beaucoup d’enfants préfèrent les bonbons aux choses saines.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.