Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/88597759.webp
appuyer
Il appuie sur le bouton.
drukken
Hij drukt op de knop.
cms/verbs-webp/20225657.webp
demander
Mon petit-fils me demande beaucoup.
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
cms/verbs-webp/3819016.webp
rater
Il a raté l’occasion de marquer un but.
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
cms/verbs-webp/120282615.webp
investir
Dans quoi devrions-nous investir notre argent?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
cms/verbs-webp/124046652.webp
passer avant
La santé passe toujours avant tout !
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
cms/verbs-webp/53064913.webp
fermer
Elle ferme les rideaux.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
cms/verbs-webp/23257104.webp
pousser
Ils poussent l’homme dans l’eau.
duwen
Ze duwen de man het water in.
cms/verbs-webp/102631405.webp
oublier
Elle ne veut pas oublier le passé.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
cms/verbs-webp/49374196.webp
licencier
Mon patron m’a licencié.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
cms/verbs-webp/108118259.webp
oublier
Elle a maintenant oublié son nom.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
cms/verbs-webp/47802599.webp
préférer
Beaucoup d’enfants préfèrent les bonbons aux choses saines.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
cms/verbs-webp/40946954.webp
trier
Il aime trier ses timbres.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.