Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
bel
Sy kan net bel gedurende haar middagete pouse.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
sleg praat
Die klasmaats praat sleg van haar.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
was
Die ma was haar kind.
wassen
De moeder wast haar kind.
pret hê
Ons het baie pret by die kermis gehad!
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
kies
Dit is moeilik om die regte een te kies.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
nodig hê
Jy het ’n domkrag nodig om ’n wiel te verander.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
vervaardig
Ons vervaardig ons eie heuning.
produceren
We produceren onze eigen honing.
behoort
My vrou behoort aan my.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
stem
Die kiesers stem vandag oor hul toekoms.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
sien duidelik
Ek kan alles duidelik sien deur my nuwe brille.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
huis toe gaan
Hy gaan huis toe na die werk.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.