Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
become friends
The two have become friends.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
give away
She gives away her heart.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
work on
He has to work on all these files.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
must
He must get off here.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
damage
Two cars were damaged in the accident.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
listen
He is listening to her.
luisteren
Hij luistert naar haar.
burn
A fire is burning in the fireplace.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
rent out
He is renting out his house.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
throw to
They throw the ball to each other.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
get lost
It’s easy to get lost in the woods.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
push
The car stopped and had to be pushed.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.