Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
wash
The mother washes her child.
wassen
De moeder wast haar kind.
manage
Who manages the money in your family?
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
sign
He signed the contract.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
listen to
The children like to listen to her stories.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
simplify
You have to simplify complicated things for children.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
report to
Everyone on board reports to the captain.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
understand
I finally understood the task!
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
pick up
We have to pick up all the apples.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
jump over
The athlete must jump over the obstacle.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
chat
He often chats with his neighbor.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
cut up
For the salad, you have to cut up the cucumber.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.