Woordenlijst
Leer werkwoorden – Kroatisch
mrziti
Dva dječaka mrze jedan drugog.
haten
De twee jongens haten elkaar.
gurnuti
Medicinska sestra gura pacijenta u kolicima.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
ustati
Više ne može sama ustati.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
trčati
Svako jutro trči po plaži.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
zaposliti
Tvrtka želi zaposliti više ljudi.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
goniti
Kauboji goniti stoku s konjima.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
govoriti
On govori svojoj publici.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
gorjeti
Vatra gori u kaminu.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
transportirati
Kamion transportira robu.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
slušati
Ona sluša i čuje zvuk.
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
pronaći ponovno
Nisam mogao pronaći svoju putovnicu nakon selidbe.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.