Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
esti malantaŭ
La tempo de ŝia juneco estas malantaŭ.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
trovi loĝejon
Ni trovis loĝejon en malmultekosta hotelo.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
rigardi
Dum la ferioj, mi rigardis multajn vidaĵojn.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
surprizi
Ŝi surprizis siajn gepatrojn per donaco.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
malantaŭi
La horloĝo malantaŭas kelkajn minutojn.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
premi
Li premas la butonon.
drukken
Hij drukt op de knop.
kovri
La infano kovras sin.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
gvidi
Li ĝuas gvidi teamon.
leiden
Hij leidt graag een team.
aparteni
Mia edzino apartenas al mi.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
reveni
La bumerango revenis.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
manki
Mi tre mankos vin!
missen
Ik zal je zo erg missen!