Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/110646130.webp
coprire
Ha coperto il pane con il formaggio.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
cms/verbs-webp/100011930.webp
raccontare
Lei le racconta un segreto.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
cms/verbs-webp/95938550.webp
portare con sé
Abbiamo portato con noi un albero di Natale.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
cms/verbs-webp/129945570.webp
rispondere
Lei ha risposto con una domanda.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
cms/verbs-webp/91147324.webp
premiare
È stato premiato con una medaglia.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
cms/verbs-webp/80552159.webp
funzionare
La moto è rotta; non funziona più.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
cms/verbs-webp/98294156.webp
commerciare
Le persone commerciano mobili usati.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
cms/verbs-webp/99725221.webp
mentire
A volte si deve mentire in una situazione di emergenza.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
cms/verbs-webp/35862456.webp
iniziare
Una nuova vita inizia con il matrimonio.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
cms/verbs-webp/109588921.webp
spegnere
Lei spegne la sveglia.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
cms/verbs-webp/116610655.webp
costruire
Quando è stata costruita la Grande Muraglia cinese?
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
cms/verbs-webp/100011426.webp
influenzare
Non lasciarti influenzare dagli altri!
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!