Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
thank
I thank you very much for it!
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
stop by
The doctors stop by the patient every day.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
understand
One cannot understand everything about computers.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
jump over
The athlete must jump over the obstacle.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
cause
Too many people quickly cause chaos.
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
need to go
I urgently need a vacation; I have to go!
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
throw
He throws the ball into the basket.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
feel
He often feels alone.
wachten
Ze wacht op de bus.
wait
She is waiting for the bus.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
find again
I couldn’t find my passport after moving.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
go
Where are you both going?