Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/110646130.webp
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
bedek
Sy het die brood met kaas bedek.
cms/verbs-webp/87994643.webp
wandelen
De groep wandelde over een brug.
stap
Die groep het oor ’n brug gestap.
cms/verbs-webp/117897276.webp
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
ontvang
Hy het ’n verhoging van sy baas ontvang.
cms/verbs-webp/118011740.webp
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
bou
Die kinders bou ’n hoë toring.
cms/verbs-webp/102447745.webp
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
kanselleer
Hy het ongelukkig die vergadering gekanselleer.
cms/verbs-webp/83636642.webp
slaan
Ze slaat de bal over het net.
slaan
Sy slaan die bal oor die net.
cms/verbs-webp/125376841.webp
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
kyk na
Op vakansie het ek baie besienswaardighede bekyk.
cms/verbs-webp/94482705.webp
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
vertaal
Hy kan tussen ses tale vertaal.
cms/verbs-webp/66441956.webp
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
neerskryf
Jy moet die wagwoord neerskryf!
cms/verbs-webp/121102980.webp
meerijden
Mag ik met je meerijden?
saamry
Mag ek saam met jou ry?
cms/verbs-webp/123844560.webp
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
beskerm
’n Helm is daar om teen ongelukke te beskerm.
cms/verbs-webp/21342345.webp
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
hou van
Die kind hou van die nuwe speelding.