Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
bedek
Sy het die brood met kaas bedek.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
stap
Die groep het oor ’n brug gestap.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
ontvang
Hy het ’n verhoging van sy baas ontvang.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
bou
Die kinders bou ’n hoë toring.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
kanselleer
Hy het ongelukkig die vergadering gekanselleer.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
slaan
Sy slaan die bal oor die net.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
kyk na
Op vakansie het ek baie besienswaardighede bekyk.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
vertaal
Hy kan tussen ses tale vertaal.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
neerskryf
Jy moet die wagwoord neerskryf!
meerijden
Mag ik met je meerijden?
saamry
Mag ek saam met jou ry?
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
beskerm
’n Helm is daar om teen ongelukke te beskerm.