Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
kritiseer
Die baas kritiseer die werknemer.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
wen
Hy probeer om by skaak te wen.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
weggooi
Hy trap op ’n weggegooide piesangskil.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
proe
Die hoofsjef proe die sop.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
nodig hê
Jy het ’n domkrag nodig om ’n wiel te verander.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
beperk
Moet handel beperk word?
beperken
Moet handel worden beperkt?
lewer
Hy lewer pizzas by huise af.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
opsy sit
Ek wil elke maand ’n bietjie geld opsy sit vir later.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
kyk af
Sy kyk af in die vallei.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
weet
Die kinders is baie nuuskierig en weet reeds baie.
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
ontbyt eet
Ons verkies om in die bed te ontbyt.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.