Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
verwys
Die onderwyser verwys na die voorbeeld op die bord.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
bel
Sy kan net bel gedurende haar middagete pouse.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
werk
Die motorfiets is stukkend; dit werk nie meer nie.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
sny op
Vir die slaai moet jy die komkommer op sny.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
binnegaan
Die ondergrondse het nou die stasie binngegaan.
geloven
Veel mensen geloven in God.
glo
Baie mense glo in God.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
uitsluit
Die groep sluit hom uit.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
kyk
Sy kyk deur ’n verkyker.
denken
Wie denk je dat sterker is?
dink
Wie dink jy is sterker?
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
vertrou
Ons almal vertrou mekaar.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
verbind
Hierdie brug verbind twee buurte.