Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
dans
Hulle dans ’n tango uit liefde.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
spog
Hy hou daarvan om met sy geld te spog.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
dink
Jy moet baie dink in skaak.
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
soek na
Die polisie soek na die dader.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
lei
Die mees ervare stapper lei altyd.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
verbygaan
Die middeleeuse periode het verbygegaan.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
optrek
Die helikopter trek die twee mans op.
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
verduur
Sy kan die pyn skaars verduur!
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
betaal
Sy het met ’n kredietkaart betaal.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
stem
Die kiesers stem vandag oor hul toekoms.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
vergesel
Die hond vergesel hulle.