Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
toets
Die motor word in die werkswinkel getoets.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
hang
Albei hang aan ’n tak.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
deelneem
Hy neem deel aan die wedren.
meerijden
Mag ik met je meerijden?
saamry
Mag ek saam met jou ry?
genieten
Ze geniet van het leven.
geniet
Sy geniet die lewe.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
verduidelik
Oupa verduidelik die wêreld aan sy kleinkind.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
stap
Hy hou daarvan om in die woud te stap.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
bedek
Die waterlelies bedek die water.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
aanvaar
Sommige mense wil nie die waarheid aanvaar nie.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
slaag
Die studente het die eksamen geslaag.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
sluit
Sy sluit die gordyne.