Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/74009623.webp
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
toets
Die motor word in die werkswinkel getoets.
cms/verbs-webp/111750432.webp
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
hang
Albei hang aan ’n tak.
cms/verbs-webp/95543026.webp
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
deelneem
Hy neem deel aan die wedren.
cms/verbs-webp/121102980.webp
meerijden
Mag ik met je meerijden?
saamry
Mag ek saam met jou ry?
cms/verbs-webp/118483894.webp
genieten
Ze geniet van het leven.
geniet
Sy geniet die lewe.
cms/verbs-webp/118826642.webp
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
verduidelik
Oupa verduidelik die wêreld aan sy kleinkind.
cms/verbs-webp/120624757.webp
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
stap
Hy hou daarvan om in die woud te stap.
cms/verbs-webp/114379513.webp
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
bedek
Die waterlelies bedek die water.
cms/verbs-webp/99455547.webp
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
aanvaar
Sommige mense wil nie die waarheid aanvaar nie.
cms/verbs-webp/119269664.webp
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
slaag
Die studente het die eksamen geslaag.
cms/verbs-webp/53064913.webp
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
sluit
Sy sluit die gordyne.
cms/verbs-webp/119379907.webp
raden
Je moet raden wie ik ben!
raai
Jy moet raai wie ek is!