Woordenlijst
Duits – Bijwoordenoefening
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
uit
Ze komt uit het water.
altijd
Hier was altijd een meer.
samen
De twee spelen graag samen.
ook
De hond mag ook aan tafel zitten.
al
Hij slaapt al.
bijna
Het is bijna middernacht.
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
in
De twee komen binnen.
net
Ze is net wakker geworden.
veel
Ik lees inderdaad veel.