Woordenlijst
Duits – Bijwoordenoefening
te veel
Het werk wordt me te veel.
erg
Het kind is erg hongerig.
half
Het glas is half leeg.
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
meer
Oudere kinderen krijgen meer zakgeld.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
bijna
Ik raakte bijna!
bijna
De tank is bijna leeg.
altijd
Je kunt ons altijd bellen.
samen
De twee spelen graag samen.