Woordenlijst
Duits – Bijwoordenoefening
bijna
Ik raakte bijna!
over
Ze wil de straat oversteken met de scooter.
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
eerst
Veiligheid komt eerst.
net
Ze is net wakker geworden.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
misschien
Ze wil misschien in een ander land wonen.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
altijd
Je kunt ons altijd bellen.
nu
Moet ik hem nu bellen?
nergens
Deze sporen leiden naar nergens.