Woordenlijst
Roemeens – Bijwoordenoefening
daar
Het doel is daar.
meer
Oudere kinderen krijgen meer zakgeld.
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
bijna
De tank is bijna leeg.
in
Ze springen in het water.
altijd
Hier was altijd een meer.
nu
Moet ik hem nu bellen?
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
gisteren
Het regende hard gisteren.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
minstens
De kapper kostte minstens niet veel.