Woordenlijst
Roemeens – Bijwoordenoefening
weg
Hij draagt de prooi weg.
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
buiten
We eten vandaag buiten.
daar
Het doel is daar.
altijd
Hier was altijd een meer.
minstens
De kapper kostte minstens niet veel.
in
Ze springen in het water.
samen
De twee spelen graag samen.
binnenkort
Hier wordt binnenkort een commercieel gebouw geopend.
bijna
Het is bijna middernacht.
al
Hij slaapt al.