Woordenlijst
Roemeens – Bijwoordenoefening
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
links
Aan de linkerkant zie je een schip.
nergens
Deze sporen leiden naar nergens.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
bijna
Het is bijna middernacht.
lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.
net
Ze is net wakker geworden.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
‘s morgens
Ik moet vroeg opstaan ‘s morgens.
half
Het glas is half leeg.